Reactie op VRT-artikel: dalend aantal eiceldonoren is geen argument om donorrechten af te zwakken

Naar aanleiding van het artikel “Fertiliteitscentra zien eiceldonoren massaal afhaken: Ine (38) moet kinderwens voorlopig opbergen” (VRT NWS, 20 juli 2026) plaatsen wij graag een belangrijke kanttekening bij de insteek van dat artikel.

We zijn terughoudend met de premisse dat de afschaffing van donoranonimiteit leidt tot “veel minder donoren” en daardoor tot langere wachtlijsten. Voor zover bekend is er vandaag geen onderbouwing die aantoont dat eiceldonoren om die reden massaal afhaken.

Fundamenteler is echter dat de wachtlijst naar onze mening niet het centrale probleem is in dit debat. Een tekort aan beschikbare eicellen kan voor wensouders bijzonder pijnlijk zijn, maar dat kan geen argument zijn om de rechten of bescherming van donoren en donorkinderen af te zwakken. Er bestaat geen recht op een donor, noch op de realisatie van een kinderwens met het genetisch materiaal van een derde. De overheid heeft wel de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat, wanneer donatie plaatsvindt, dit gebeurt op een manier die veilig, geïnformeerd, vrijwillig en respectvol is voor alle betrokkenen.

Hetzelfde geldt voor het donorkind: de beschikbaarheid van donoren mag niet primeren op het recht en het welzijn van de persoon die uit die donatie ontstaat.

Het is dan ook problematisch wanneer berichtgeving het debat hoofdzakelijk benadert vanuit de vraag “zullen er nog genoeg donoren zijn?”. Daarmee wordt de donor al snel voorgesteld als een noodzakelijke leverancier binnen een systeem waarvan de vraag zoveel mogelijk moet worden ingevuld. De relevantere vragen zijn volgens ons: onder welke voorwaarden vragen we vrouwen om dit te doen, welke risico’s dragen zij daarbij, welke informatie en rechten krijgen zij, en welke rechten heeft het toekomstige kind? De rest betreft wensen, geen rechten.

Een wachtlijst kan dus een praktisch gegeven zijn waarmee beleid rekening houdt, maar mag nooit het uitgangspunt worden van waaruit fundamentele rechten van donoren of donorkinderen worden afgewogen. Het antwoord kan dan ook niet zijn dat het systeem vooral voldoende eicellen beschikbaar moet houden: geen enkel mens heeft een morele, maatschappelijke of juridische plicht om zijn of haar lichaam of genetisch materiaal ter beschikking te stellen om de kinderwens van een derde mogelijk te maken – laat staan binnen een systeem waarop die persoon zelf nauwelijks controle kan uitoefenen.

Anonimiteit heeft in België niet alleen de identiteit van betrokkenen afgeschermd, maar is ook ingebed geraakt in een systeem waarin donoren vrijwel geen zicht hebben op het verdere gebruik van hun eigen genetisch materiaal. Daardoor kunnen zij zelf niet controleren of wettelijke grenzen en gemaakte afspraken worden nageleefd. Een recht dat je niet kan controleren, kan je immers nauwelijks afdwingen. Wanneer enkel het fertiliteitscentrum weet hoeveel kinderen of gezinnen uit iemands eicellen zijn voortgekomen, waar die eicellen terechtkwamen en of de voorwaarden werden nageleefd, moet de donor datzelfde centrum vertrouwen om eventuele eigen overtredingen te melden. Dat is geen effectieve controle, maar een fundamentele informatie-asymmetrie.

Als beschikbaarheid enkel mogelijk was door rechten te schenden, dan is niet de wachtlijst het probleem – het probleem is en was altijd hoe die beschikbaarheid tot stand kwam.

We helpen uiteraard graag met inhoudelijke duiding vanuit het perspectief van (eicel)donoren en de problemen die we daar vandaag daadwerkelijk zien. Maar we staan niet achter een “recht op een kind”. Een kinderwens is diep menselijk en verdient empathie, maar geen vrijgeleide of recht op verwezenlijking.

Scroll to Top